workheart-Blog#73-Mens-erger-je-niet-spelbord

……………………..Niet mijn lichaam, maar ik lach en ween om een bepaalde reden, “om iets“‘

Ik liep weer ‘s over de brug. Bijna dagelijks doe ik dat en ik schrijf er vaak over. Want op dat plekje is altijd wel iets om even stil te staan bij wat me passeert. Meestal lopen er meer mensen. Of ze staan, net als ik, te wachten op een schip dat erdoor moet. Daar is alle gelegenheid voor. Er zijn prachtige wachtbalkons aan weerskant van de ‘hef’ zoals dat heet. Bij geheven brug zijn we allemaal passanten op de brugwachter na.
Maar die zit onzichtbaar in een huisje achter spiegelend glas.
Zelf varen we er ook wel eens onderdoor met ons schip. Op die plek kan ik me dus in beide situaties verplaatsen. En in beide posities. Zeker als ik in het water staar, voel ik de flow van dat passeren: “Kom maar door ‘Hester”, hoor ik de marifoon dan roepen. Dan gaat de motor (een oude “Industrie”) op volle kracht vooruit, want “de brug wordt laat, doch snel geheven“. Zo staat het in de wateralmanak. En zo is het.

Maar goed het zijn andere tijden zoals iedereen weet. Schepen varen er nog volop maar mensen kom ik maar zelden tegen. De voetgangersgedeelten op de brug zijn krap 1½ meter breed. Dus zijn er borden geplaatst die ook dat lopend verkeer regelen:’ voetgangers oversteken’ Zo hebben beide richtingen hebben nu een eigen kant van de brug. De borden wijzen je welke zijde dat is.
In mijn geval wordt dat, als ik van huis naar werk ga, vier maal oversteken. Waarvan drie maal een zebrapad.
Natuurlijk kan je ook de eigen kant nemen als er niemand over de brug loopt, overweeg ik bij mezelf. Maar dat is tegen de aangegeven richting in en onderweg kan er alsnog iemand de brug betreden. Dan nog geen man overboord, want de wachtbalkons geven immers uitwijkmogelijkheid.
Nog aangenaam ook. Even staren in het water is alleen maar fijn en zo hinder ik niemand. Vanaf daar kan ik het verdere verloop wel inschatten.
Dus wat denk je dat ik kies? Ik weet wat ik doe, maar besef heel goed dat ik m’n gewoonte volg: Daar gaat ‘ie.

Natuurlijk komt het moment een keer .. ik heb m’n eerst paar stappen nog niet gezet of daar loopt aan de overkant ook iemand de brug op. Hij ziet mij ook,
zo blijkt, want vanaf de eerste stap begint hij te klagen. Van verre overbrugt zijn jammerende stem zo’n 200 meter stilte die op het water weerkaatst.
“Maar meneer, waarom doet u dat, gaat u toch aan de kant, u mag hier niet lopen, het staat toch duidelijk aangegeven met borden, waarom doet u dat? enz.
Hoe dichterbij hij komt hoe meer het geluid aanzwelt. Zijn stem klinkt geschoold, hij zingt vast in een kerkkoor.
Met de hele hef nog bij elkaar vandaan, loop ik ‘t wachtbalkon op. Terwijl hij passeert kijken we elkaar aan. Verlegen met de situatie voel ik een schaapachtige lach over mijn gezicht trekken die ik een vriendelijke plooi rek. De man kijkt even verlegen terug, zeker niet verwijtend. Maar zijn longen blijven lamenteren tot hij de brug af is. Het lijkt wel een litanie.

Eenmaal alllebei aan onze eigen overkant, sterft zijn gezang uit. In de steeg nu tegenover mij zit een agent op een motorfiets. De helm en het gele pak eronder laten niet zien of er een man of vrouw in huist. Zit er wel iemand in? Ja want het spiegelende vizier volgt mijn gang stil en aandachtig. Maar dat kan ook een robot zijn met een camera. Nee toch niet.. Het pakket maatregelen trapt heel menselijk de motor aan, draait het stuur en het geheel stuift weg en verscheurt de stilte aan de kade. De gevels ketsen het lawaai de IJssel over. En dan is er even helemaal niets.
Ik hoor dat ik op schoenen met leren zolen loop.
De soundscape hangt nog lang tussen mijn oren die dag.

Naast het virus is ook de controle over het virus een obsessie geworden. Ze nestelen zich in ieders geest, ook al blijft je lijf van infectie gespaard.
Ik zoek wat mij daarin fascineert. Een soort hyperconcentratie: wat speelt er toch, hoe beluister ik dat? Ik zoek naar wat erin opleeft of uitdoven mag.
Waar ik inmiddels wel achter ben, is dat wat er gebeurt, onze levensstijl aftast. En dat het de angst voor onze ervaring van kwetsbaarheid blootlegt

……………………..Don’t it always seem to go
……………………..that you don’t know what you’ve got
……………………..till it’s gone?
……………………..They paved paradise
……………………..and put up a parking lot. zong Joni Mitchel 50 jaar terug

Verkeersregels op straat. Op de markt dwingen vakken tot afstand houden van elkaar.
Overal op de wereld wordt dit ‘social distancing’ genoemd. Maar gaat het niet eerder om ‘physical distancing’?
“Laten we het vermijden van fysiek contact niet verwarren met het vermijden van sociaal contact“, schrijven een aantal wetenschappers verenigd in SCOOP. “Psychologisch onderzoek laat zien welke gevaren het eigenlijke ‘social distancing’ heeft. Wie niet verbonden is met anderen, kan minder goed met stress omgaan en wordt letterlijk ziek. De meetbare invloed op de lichamelijke gezondheid blijkt uit de effecten op het immuunsysteem, hart- en vaatziekten, en voortijdig overlijden. Sociaal contact is dus niet het probleem, maar onderdeel van de oplossing. De uitdaging is daarom het gevoel van verbondenheid te blijven aanspreken, ook als ons wordt gevraagd elkaar niet meer op te zoeken, alleen thuis te blijven, of ons zelfs thuis in aparte ruimtes terug te trekken”.
Ik ben blij met de zorgvuldige benadering van SCOOP in die wonderlijke spagaat aan beleving en verwoording.

Ik probeer er ook zelf woorden bij te vinden. Omdat ik denk in taal en beeld maar energetisch leer, moet ik het hebben van wat ik opdoe aan ervaring.
Daarbij is letterlijk alles informatie. De indrukken waaien als het ware door me heen en dienen gefilterd naar zinvol. Om die reden gebruik ik naast begrippen als ‘social- and physical distancing’ liever het woord ‘relatieruimte’. En zie ik die ruimte liever als een gezamenlijke ‘spelwerkelijkheid’.

‘Relatieruimte’ en ‘spelwerkelijkheid’ zijn beide betrekkelijke begrippen. Ze hebben wat mij betreft te maken met de werking die ik als mens ervaar en de mogelijkheden die ik erin kan ontwikkelen. Allebei representeren ze een dynamiek waaronder menselijke patronen schuilgaan. Ze zijn (het woord zegt ‘t al) ons de baas. Die gedragspatronen komen we als gewenning tegen. Nu we daar nieuws op moeten verzinnen vragen juist die gedragspatronen vragen om een soort waakse kalmte en kalme waaksheid.
Een geconcentreerde aandacht die er ook voor zorgt, dat ik me wat vrijheid begin te permitteren hier en daar.

Zo beschouw ik de situatie bij de brug inmiddels maar als een bordspel. En raad ‘s wat? Iedere keer werp ik bij het kruispunt 4 of meer!
Dus mag ik telkens alle drie zebra’s overslaan en gelijk oversteken.
Nou is er aan die kant van de brug maar één balkon, want de andere uitbouw is gereserveerd voor het brugwachtershuisje.. Tsja, als de hef dan open gaat, en andere mensen doen zoals ik hiervoor nog deed, dan komen we elkaar tegen. En ja hoor, daar staan er wat. Samen dringen ze voor de slagboom en als die open gaat, lopen ze met elkaar de hef op. Ik merk dat ik me spontaan van hen afdraai. Ik buig over de reling en spuug in het diepe water beneden.
Dat werkt. Ze hebben meteen door wat ik bedoel, maken een lange rij en lopen ruggelings langs het glas. En in ‘t voorbijgaan excuseren ze zich.
Ik groet ik ze na: “bedankt! Fijne dag nog”.

Mensen zijn bang en angst voedt onze onderliggende patronen. In al hun “hoedanigheden” zeg maar. Zelf kom ik erop uit dat angst mij naast waaks, ook benieuwd maakt. Angst verbindt ons in de onderlinge gewoontes die we met elkaar ontwikkeld hebben. Die kan je dus niet in je eentje bijstellen.
We houden ze met elkaar in evenwicht. Als jij bang bent raak ik ‘als vanzelf’ benieuwd, om maar bij m’n voorbeeld te blijven.
Als zo’n gezamenlijk patroon ons de baas is en .. niet bevalt, kunnen we -elkaar geleidend – wel helder krijgen waar ‘t aan weerskant om draait en dat ontwikkelen naar iets veel aangenamers. Dat lijkt mij nou net de krachttour die we doormaken. Zouden we daarmee onze spelwerkelijkheid kunnen veranderen? Onze relatieruimte zo benutten, wat wat we erin via elkaar meemaken, gebruiken om er met elkaar uit te komen. Naast de gezamenlijke verantwoordelijkheid om te overleven, kunnen we dan ook de kwaliteit van leven zelf oprekken.
‘Ik ben benieuwd’ werkt altijd beter als ‘het zal mij benieuwen’ of ‘mij benauwen’.
Gelukkig lijkt het erop dat de sfeer momenteel meer is ingesteld op wat ons toekomt, dan angstvallig betrokken is op wat er op ons afstevent.

Je kan met angst alle kanten op. In het geval van zonet zouden excuses omdat men zich niet aan een (maat)regel houdt, niet het slot maar het begin kunnen vormen van onderzoek naar relatieruimte. En zo een veranderde spelwerkelijkheid opleveren. Het vraagt superconcentratie om die in contact waar te maken. Daarom zie ik de broedplaats van droomplek tot realisatie te komen en het sociaal contact als ruimte om van elkaars verschillen gebruik te maken.
Als we dan toch iets op spanning zetten, laten dat dan de begrippen ‘social distancing’ en ‘relatieruimte’ zijn.

Met dat de tekst ‘wat oefen jij?’ in vorige blog verscheen, kregen we dit gedicht van een van de kunstenaars die dat weekend exposeren zou.
Het hangt nu voor het raam van de Toonzaal in de erker van Huize Maria:

Gedicht Noël Haile  VOETNOTEN:

Helmuth Plessner in Lachen und weinen (1941) Deze filosofische stelling van Plessner is gekozen en beschreven door Jan Dirk Snel op 5 april van de filosofie scheurkalender 2020. “in het lachen wordt de beheerste verhouding tot het lichaam verbroken, in het wenen daarentegen geeft de mens zichzelf over’. Volgens Plessner zijn het twee typisch menselijke uitingen die elkaars tegenpolen zijn. Ze lijken veel op elkaar , maar is is ook een verschil. Je schiet spontaan in de lach. Het lachen overvalt je. Iets lacht in je . Het wenen of huilen daarentegen is ook een antwoord maar het wordt innerlijk voorbereid. In het wenen geeft een mens zich over. Hij capituleert. In beide gevallen gaat het om een verlies aan beheersing , maar de wijze waarop die tot stand komt is tegengesteld. Uiterlijk versus innerlijk. Het interessante aan deze twee menselijke uitingsvormen vond Plessner dat ze zo lichamelijk zijn, terwijl het tegelijk om twee bij uitstek menselijke mogelijkheden gaat. De ondoorzichtige wijze waarop de mens zich in het lachen uit, moet volgens Plessner begrepen worden uit de verhouding van de gehele mens tot zijn lichaam. Lachen und Weinen. Eine Untersuchung nach den Grenzen menschlichen Verhaltens (Bern: Francke, 1941. Frankfurt am Main: Fischer, 1970, 4. Auflage). [Gesammelte Schriften, Bd. 7.] Lachen en wenen, Utrecht: Het Spectrum, 1965

3. Een onderzoek, uitgevoerd aan de Stanford University. Bekijk het! Met eigen ogen zien hoe die modellen uitpakken? Hier kun je in grafieken zien wat er gebeurt als de social distancing-maatregelen na kortere of langere tijd worden losgelaten, wat er gebeurt als we ze langdurig omarmen en wat er gebeurt als we de maatregelen afwisselend versoepelen en verscherpen.

SCOOP (Sustainable  COOPeration) is een consortium van experts uit verschillende vakgebieden, die zich hebben verenigd om vragen rond duurzame samenwerking te beantwoorden. Zij doen wetenschappelijk onderzoek, en vertalen hun bevindingen naar de praktijk. In columns o.a. snijden ze op persoonlijke titel onderwerpen aan die van belang zijn voor het realiseren van duurzame samenwerking op verschillende terreinen. SCOOP is een gezamenlijk initiatief van de RUG (Strategic Theme Sustainable Society) en de UvU (Strategic Theme Institutions for Open Societies), en betrekt ook onderzoekers van de VU, de Erasmus Universiteit Rotterdam en de Radboud Universiteit Nijmegen. In Wetenschapsvisie 2025 van het Ministerie van Onderwijs (2014, p. 19) prijst men SCOOP als “voorbeeld van kruisbestuiving tussen disciplines”

Joni Mitchell- Big Yellow Taxi

Bovenstaand gedicht is van Noël Haile. Samen met Tonda Zuidema vormt hij het jongste kunstenaarsduo dat tijdens Hoogtij 2.0 werk zal experimenteren en presenteren.

Comments