Laila de Bruïne-Vuurvogel
De Vuurvogel. tekening: Laila de Bruïne

00000000000000000000000000000000000000000De waarheid is een land zonder paden

0000000000000000000000000000000000000000000000000000000Jiddu Krishnamurti

Ik leer graag van mijn ervaringen en mag er graag woorden aan geven. Dan weet ik er maar weer van. Het ligt achter de rug en ik kan weer verder.
In welke richting dan ook. Zo doe ik dat, overal, ook hier in het ziekenhuis als patiënt.
Eigenlijk is elke omgeving mijn atelier. Ik neem onbevangen in me op, werk en verwerk, focus en reflecteer erop los en laat mijn waarnemingen de vrije loop.
Vrijdagavond toen ik alleen op zaal lag, begon ik met schrijven en nog ben ik niet helemaal klaar. Dit weekend was ik met verlof om alles los te laten.
Nu is het 1 april en waar ik over schrijf is geen grap. De zinnen moeten kloppen met het leven dat huist in mijn lijf.

00000000000000000000000000000000000000000000Het tussenmenselijke vormt het persoonlijke

000000000000000000000000000000000000000000000000000000000Paul Watzlawick

Heel vaak voel ik ‘Het klopt niet’ in me opwellen. Mijn hele leven al, zolang ik me kan herinneren. En die herinneringen gaan heel ver terug.
Van diep uit weet ik dat juist zoiets dient uitgewerkt in contact met mensen om je heen. Maar er valt moeilijk met anderen over te spreken.
Meestal moet ik mezelf al meteen corrigeren: Nee nee, ik zoek niet naar een overeenkomst, een sluitende berekening, een = teken of iets dergelijks .
Juist onze verschillen dagen uit naar een contact dat leven gaat, een leven dat gaat kloppen naar weerskant.
Maar ja wie snapt dat meteen?
Als ik als kind of puber reageerde op iets wat mijns inziens niet klopte, ging dat gepaard met straf of erger nog, vergeving.
Nee, met ‘het klopt niet’ bedoel ik: ‘ een contact dat geen hart heeft’.

Tot voor kort ervoer ik het als een gemis aan afstemming met de wereld om me heen, met dat tussenmenselijke. Iets dat me negatief beïnvloedde en wat ik maar niet voor elkaar kreeg om samen uit te werken. Het leek me zelfs bij de handen af te breken. Zeker te laatste tijd. Al een half jaar nu, moet ik temperen wat me werkelijk bezighoudt. Er moeten projecten vroegtijdig stoppen om er rust voor in de plaats te krijgen. Ik ben ziek, doodziek soms.
Dat klinkt weer als een klacht maar ik leef in vertrouwen en tart liever de toekomst door eraan mee te werken.
Mijn geloof van huis uit heb ik, geloof ik, inmiddels helemaal binnenste buiten gekeerd: de mens schept een god naar zijn evenbeeld en niet andersom. Ik ben maar liever mezelf een bron in een leven als kunstwerk.
Het tussenmenselijke vormt daartoe een noodzaak om verder te reiken dan mezelf en uit te diepen wat ons verbindt met elkaar.
Zeker in dit roestig scharnierend tijdsgewricht waar we als mensen zelf de veroorzaker van zijn: het Antropoceen.

Het valt me op dat ik niet bang ben voor peilloze dieptes en met focussen kom ik een behoorlijk eind. Poëzie borrelt als vanzelfsprekend in me op.
Maar als dat ‘het klopt niet’, in me opkomt, kan ik daar in mijn eentje niet bij. Het voelt als een diep ervaren onmacht, waar ik geen voeling mee krijg.
Daardoor blijft wat mij zo vitaal bezig houdt, een eenzijdige niet te delen droom. Een ideaal dat geen contact weet te ontwikkelen met het leven om me heen.
Tot voor kort weet ik nu. Want momenteel lijk ik midden in een rigoureus herstel te zitten ..

Het is inmiddels 12.00 uur geweest. Het eerste deel van dit blog is al gepubliceerd.
De sirenes leken vanaf het dak van Isala boven mijn hoofd te keer te gaan. Loos Alarm loeide het in me. Startpunt voor het vervolg ..

Ziektes zijn dikwijls aandoeningen, ze ontstaan wat mij betreft niet vanuit het niets. De mijne niet in ieder geval. Ik voel niet dat ik ziek ben.
De ziekte is mij te lijf gegaan en ik kan alleen maar reageren, voor zover ik daartoe bij machte ben.

Eind september vorig jaar raakte ik danig ontregeld. Het begon sluipenderwijs.
Achteraf valt het allemaal aardig te herleiden wat me gaandeweg overkwam, maar aanvankelijk had ik er niets van door ..
Colitis Ulcerosa, een rotziekte met een mooie naam. Het overviel me als een dief in de nacht. Aan de voet van de Olympus. Een prachtige plek die ik hals over kop moest verlaten. Zonder hulp van buitenaf kan je er niet van herstellen. Een ontsteking, een vlam in de pan en je geraakt in een machteloze kwelling.
Zo aangedaan als ik was, ik merkte dat ik het allemaal heel kalm opnam. Van begin af aan.
Als een coole engel die nauwlettend volgt wat ik gaandeweg doormaak.
Natuurlijk heb ik makkelijk praten, want ik heb nu al een half jaar Bert & Rietje naast mijn bed die even zorgvuldig in de gaten houden wat ze met mij meemaken. En een homeopaat en een ziekenhuisafdeling met doktoren, verpleegsters en personeel die allemaal heel betrokken mijn proces volgen en geleiden naar herstel. Daar hebben ze behoorlijk veel werk aan. Ik ben daar uiterst gelukkig mee.
God zal je danken, zei mijn overbuurvrouw op zaal zonet. Ik kende die uitdrukking nog niet. Een mooie ommedraai.

Maar ik raakte van iets anders nog veel sterker in de war.
Zonder dat die ziekte mijn omgeving trof, leken mijn familie en vrienden aangeslagener dan ikzelf. Ineens was ik voor veel van hen een zieke patiënt.
En als je ‘ziek’ heet te zijn, roept dat projecties op die ik, juist nu, totaal niet kon gebruiken: medeleven in de vorm van medelijden en beklag.
Ziek zijn lijkt een sterk aanzuigende werking te hebben. Zo werkt het als een verstoring naar weerskant.
Voor mij is ermee behept - of erdoor aangedaan zijn een gegeven. Een verontrustende zaak, dat wel. Maar ook iets dat me alert maakt. Het vraagt om er een zorgvuldige relatie mee op te bouwen en in dat contact op m’n qui vive te zijn. En net zoals het gaat met wat me anders bezig houdt, mijn omgeving bij dat proces te betrekken, om erin te ontdekken wat er te onderzoeken valt.
Maar een verstoring, een ‘ziekte’ genereert een ander soort betrokkenheid, een aangeslagen schrik die gemakkelijk kan omslaan in angst en bezorgdheid. Het kan gaan werken als een aanslag, al is het maar op TV. Je vind het afschuwelijk maar staat er onbeholpen bij. Rampen en aanslagen lijken meer en eerder aandacht te trekken dan kunstwerken en de kunst van leven zelf. Ze werken verlammend.
En steeds hoor ik me zeggen: Ik ben niet ziek, ik ben ergens mee behept. Het is een gegeven waarin iets dient uitgewerkt, ik weet alleen nog niet wat.
Laat me dan maar liever gewoon even met rust.

Meneer Buwalda, mag ik uw naam en geboortedatum?
Hoe vaak hoor ik dat niet op een dag hier. Ik lig al weer een paar weken in het ziekenhuis, maar zoals het er nu voorstaat, gelukkig niet meer voor lang. Met elke infuus wordt je ermee wakker gemaakt. Een prik is vaak minder storend dan alsmaar die vraag naar je geboortedatum, die een mondeling antwoord vergt. Breek me de bek niet los. denk ik dan vaak: Als je eens wist hoe de bevalling voor mijn moeder en mij is verlopen, zou je ‘t met me eens zijn dat dat moment een ander gedenkteken verdient dan de kentekenplaat die een ziekenhuis ervan maakt.

Het tussenmenselijke vormt het persoonlijke. Daarin woelt de grootste antipool je meest oorspronkelijke verontwaardiging los. Nu, precies twee weken terug werd ik uitgedaagd door mijn specialist, die ik nu al tien jaar ten diepste heb leren vertrouwen. We leerden samenwerken ‘door dik en dun’, zeg maar.
Ditmaal confronteerde hij me zo, dat ik van dieper dan diep uit reageren moest.
Hij zei: U bent mijn ziekste patient momenteel en dat kan met één operatie in één klap over zijn. Na een half jaar tobbedansen blijft er niet veel over dan uw darm te verwijderen.
Raak was ‘ie, raak! Het leek of er een pal bij me losschoot.
Onmiddellijk kreeg hij een voltreffer terug. Voor ik ’t wist, was de zin eruit: Ik laat mijn klokkenluider niet monddood maken!

Daar stonden we, perplex en versteld van dat verbazingwekkende antwoord..
Geen van twee hadden we nog ooit zo over mijn darm gedacht, gesproken, laat staan afgestemd.
Aangeslagen of aangedaan?
Het werd een aandoenlijk ontroerend moment dat ons allebei op een ander spoor zette en in beweging bracht. Het drong diep tot ons door: er moet iets gebeuren waarmee we samen akkoord gaan. De galm van de klok klonk nog lang na in de akoestiek van dat spreekuur, ruim voorbij de geplande eindtijd.
Het klopte als twee samenzwerende vingers.

Inmiddels hebben we een periode achter de rug, waarin ik me zo door elkaar gerammeld voelde alsof alle apparaten van de Efteling tegelijk dienden uitgeprobeerd. En iedereen werkte mee, leefde mee. Van alle kanten kwam het bij elkaar.
En nu knap ik meer en meer op. Voetje voor voetje doorloop ik een wonder. Waarbij het lijkt of het hele ziekenhuis erbij betrokken is .. het lijkt wel een gedeeld feest

Mag ik nog een keertje uw naam en geboortedatum?
Ik ben aangespoeld, zei mijn buurman. De zusters hadden er niet van terug. De avond erop vertrok de patiënt: hij wist zijn eigen antwoorden wel.
Bij een zoveelste prikvraag probeer ik ’t ook eens: Het is me aan komen waaien.
Op welke datum was dat?, vraagt de zuster gevat. Om er vanaf te zijn, raap ik de getallen maar weer bij elkaar.
Klopt, zegt ze, nog voor mijn bloeddruk gemeten is, Klopt als een bus
Als een bus?
Als een bus, herhaalt ze
Ik besef ’t maar al te goed: Het is wegwezen geblazen nu.

Op moment dat je dit leest, lig ik nog achter één van de groene raampjes in de veelkleurige menselijke tempel Isala.
Maar morgen ga ik naar huis. Met instemming van alle kanten.
De kracht van jong riet, kwetsbaar tussen de bruine pluimhaartjes van ’t afgelopen seizoen heeft al diep in me postgevat.

Comments